Dissociatie en PTSS
Het dissociatieve subtype van PTSS, wat er in het brein gebeurt en wat helpt
Dissociatie en PTSS hangen nauw samen. Tijdens of vlak na een schokkende gebeurtenis maakt een groot deel van de mensen kortdurend dissociatie mee: alles gaat in slow motion, voelt onwerkelijk of je ziet jezelf van een afstand. Bij een deel van de mensen met PTSS blijven depersonalisatie en derealisatie daarna terugkomen. Sinds 2013 heet dat PTSS met een dissociatief subtype. Het komt voor bij ongeveer 1 op de 7 mensen met PTSS. Traumatherapie werkt bij deze groep volgens onderzoek ongeveer even vaak als bij andere mensen met PTSS.
- Peritraumatische dissociatie: dissociatie tijdens of vlak na een trauma. Een van de sterkste voorspellers van latere PTSS [1].
- Dissociatief subtype: PTSS met terugkerende depersonalisatie en/of derealisatie. Komt voor bij ongeveer 14 procent van de mensen met PTSS [2].
- In het brein: emoties worden sterk afgeremd, terwijl ze bij andere vormen van PTSS juist overspoelen [3].
- Behandeling: traumagerichte therapie zoals EMDR en exposure werkt ook bij dissociatie [4][5].
Wat is de relatie tussen dissociatie en trauma?
Bij acuut levensgevaar heeft je lichaam drie basisreacties: vechten, vluchten of bevriezen. Als vechten en vluchten geen optie zijn, kan je brein overschakelen op een soort noodstand. Pijn en emoties worden gedempt, de wereld voelt ver weg en je kijkt naar jezelf alsof je ernaast staat. Dat is dissociatie. Op dat moment beschermt het je tegen overweldigende angst en pijn.
Dissociatie tijdens of direct na een trauma heet peritraumatische dissociatie. Een grote meta-analyse vond dat dit een van de sterkste voorspellers is van latere PTSS [1]. Een mogelijke verklaring: als je brein de ervaring niet volledig verwerkt terwijl die plaatsvindt, blijft de herinnering losse brokstukken die later als herbelevingen terugkomen.
PTSS met dissociatief subtype
De DSM-5 kent sinds 2013 een dissociatief subtype van PTSS. Daarvan is sprake als iemand voldoet aan de criteria voor PTSS en daarnaast steeds terugkerend last heeft van:
- Depersonalisatie: je voelt je los van jezelf, alsof je een buitenstaander bent of in een droom leeft.
- Derealisatie: je omgeving voelt onwerkelijk, droomachtig, ver weg of vervormd.
Belangrijk: het gaat om dissociatie buiten de herbelevingen om. Tijdens een flashback voelen veel mensen zich onwerkelijk. Dat valt al onder PTSS.
Hoe vaak komt het voor?
In de wereldwijde World Mental Health Surveys, met ruim 25.000 deelnemers in 16 landen, had 14,4 procent van de mensen met PTSS ook dissociatieve klachten [2]. Dat was in rijke en armere landen ongeveer gelijk. Bij deze groep begon de PTSS vaker in de jeugd, waren er vaker eerdere trauma’s en jeugdervaringen, en was het functioneren meer verstoord.
Twee manieren waarop het brein reageert
Hersenonderzoek laat zien dat mensen met PTSS op twee manieren op herinneringen aan het trauma kunnen reageren [3]:
Overspoeling
De meest voorkomende reactie. Emotiegebieden zoals de amygdala worden heel actief. Je hart gaat tekeer en je herbeleeft het trauma alsof het nu gebeurt.
Afremming
Bij het dissociatieve subtype remt de prefrontale cortex de emotiegebieden juist sterk af. Je voelt je verdoofd, afwezig en onwerkelijk, soms met een vertraagde hartslag.
Beide reacties zijn manieren om met overweldigende emotie om te gaan. Bij de tweede groep zie je van buitenaf weinig, terwijl de persoon van binnen ver weg is.
Complexe PTSS en dissociatie
Bij complexe PTSS, die in de ICD-11 als aparte diagnose bestaat, gaat het om langdurig en herhaald trauma, vaak in de jeugd. Naast de PTSS-klachten zijn er problemen met emotieregulatie, zelfbeeld en relaties. Dissociatie komt bij deze groep veel voor. Bij ernstige, langdurige dissociatie samen met geheugengaten kan ook een andere dissociatieve stoornis spelen, zoals een dissociatieve identiteitsstoornis.
Dissociatie tijdens therapie
Veel mensen vragen zich af of ze traumatherapie kunnen volgen als ze dissociëren. Lange tijd was het advies om eerst te stabiliseren. Nieuwer onderzoek nuanceert dat:
- Een Nederlandse studie bij intensieve traumabehandeling (exposure en EMDR) vond dat mensen met het dissociatieve subtype even vaak opknapten als mensen zonder [4].
- Een meta-analyse van 21 studies vond geen bewijs dat dissociatie de werkzaamheid van PTSS-behandeling vermindert [5].
Dissociatie tijdens een sessie komt wel voor, bijvoorbeeld bij EMDR. Een ervaren therapeut merkt dat op en helpt je terug in het hier en nu, bijvoorbeeld met grondingsoefeningen, je ogen open houden of tussendoor even bewegen.
Bespreek vooraf met je therapeut hoe je dissociatie bij jou herkent en wat helpt. Spreek een signaal af voor als je merkt dat je wegzakt. Neem een voorwerp mee om vast te houden of iets met een sterke geur.
Herken je dit bij jezelf?
Signalen van PTSS zijn herbelevingen, nachtmerries, vermijden van herinneringen, schrikachtigheid en prikkelbaarheid, minstens een maand na een schokkende gebeurtenis. Komen daar regelmatig onwerkelijkheidsgevoelens bij, ook buiten herbelevingen om, dan kan het dissociatieve subtype spelen. Een zelftest geeft een eerste indruk:
- Derealisatie test voor depersonalisatie en derealisatie;
- Dissociatieve stoornis test voor bredere dissociatieve klachten.
Bespreek je klachten met je huisarts. In Nederland wordt PTSS in de ggz behandeld, meestal met EMDR of imaginaire exposure.
Veelgestelde vragen
Is dissociatie altijd een teken van trauma?
Nee. Derealisatie en depersonalisatie ontstaan ook vaak door angst, paniek, stress, slaaptekort of drugs, zonder trauma. Bij ernstige vormen met geheugengaten speelt trauma vaker een rol. Lees meer bij oorzaken van derealisatie.
Wat is het verschil tussen een flashback en dissociatie?
Bij een flashback herbeleef je het trauma alsof het nu gebeurt. Bij dissociatie voel je juist afstand, verdoving of onwerkelijkheid. Ze kunnen samen voorkomen.
Kan EMDR dissociatie verergeren?
Tijdens een sessie kan dissociatie opkomen. Onderzoek laat zien dat dit de uitkomst van de behandeling meestal niet verslechtert [5]. Bespreek het met je therapeut.
Bronnen
- Ozer EJ, Best SR, Lipsey TL, Weiss DS. Predictors of posttraumatic stress disorder and symptoms in adults: a meta-analysis. Psychological Bulletin. 2003;129(1):52-73.
- Stein DJ, Koenen KC, Friedman MJ, e.a. Dissociation in posttraumatic stress disorder: evidence from the World Mental Health Surveys. Biological Psychiatry. 2013;73(4):302-312. doi
- Lanius RA, Vermetten E, Loewenstein RJ, e.a. Emotion modulation in PTSD: clinical and neurobiological evidence for a dissociative subtype. American Journal of Psychiatry. 2010;167(6):640-647.
- Zoet HA, Wagenmans A, van Minnen A, de Jongh A. Presence of the dissociative subtype of PTSD does not moderate the outcome of intensive trauma-focused treatment for PTSD. European Journal of Psychotraumatology. 2018;9(1):1468707.
- Hoeboer CM, de Kleine RA, Molendijk ML, e.a. Impact of dissociation on the effectiveness of psychotherapy for post-traumatic stress disorder: meta-analysis. BJPsych Open. 2020;6(3):e53.
Dissociatie.com geeft informatie en ervaringen, geen medisch advies, diagnose of behandeling. Twijfel je over je klachten, neem dan contact op met je huisarts. Lees de volledige disclaimer.
